| Notes |
- De slavernij in de West-Indische Nederlandse koloniën kwam in deze debatten amper aan de orde, ‘de West’ en ‘de Oost’ werden als verschillende soorten koloniën gezien en rechtsmatig ook zo behandeld. Deze opsplitsing maakte mogelijk dat jonkheer Gevers zich actief kon inzetten voor de afschaffing van de slavernij in de Oost-Indische koloniën, maar zich niet hoefde uit te spreken over de situatie in bijvoorbeeld Suriname, Curaçao of Berbice. Steun voor het afschaffen van de West-Indische slavernij had Gevers waarschijnlijk problemen binnen de familie opgeleverd. Gevers was namelijk sinds 1827 getrouwd met jonkvrouw Margaretha Johanna Deutz van Assendelft (1807-1895), lid van een koloniaal invloedrijke familie. Haar oudoom Willem Gideon (1697-1757) en overgrootvader Jean Deutz van Assendelft (1693-1741) bestierden samen het fonds W.G. Deutz, later Deutz & Zonen. Dit fonds van plantageleningen was cruciaal bij de opbouw van de plantage-economie in Suriname. In de West-Indische koloniën werd op 1 juli 1863 de slavernij afgeschaft en omgezet in een periode van tien jaar van staatstoezicht. Voor de bijna 45.000 slaafgemaakten werd een compensatie aan de eigenaren betaald van 200 of 300 gulden per slaafgemaakte.
Ook de aandeelhouders van het nog bestaande fonds Deutz & Zonen ontvingen compensatie. Of het echtpaar Gevers-Deutz zelf compensatie ontving is nog niet bekend. Een actieve abolitionist kan Daniël Gevers niet genoemd worden, maar uit zijn toespraak over het amendement met betrekking tot Nederlands-Indië spreekt wel een principiële houding. Hij sloot af met: “Ik geloof', dat daardoor [red: het vervroegen van de afschaffing] eene dienst aan de menschheid zal zijn gedaan, eene hulde aan de verlichting onzer eeuw gebragt en gehandeld zal wezen, om met een redenaar van eergisteren te spreken, gelijk het ons als Nederlanders, als menschen en als Christenen past.”
|